De ogen van een mens kunnen bijzonder vrij bewegen in de oogkas. Los van al de bewegingsvrijheid moeten de ogen goed kunnen samenwerken om een stabiel beeld aan te bieden aan de hersenen. Alleen wanneer de bewegingen van de ogen samen perfect gecoordineerd worden is scherp binoculair en steroscopisch gezichtsvermogen mogelijk.
Over en door de hersenstam lopen banen van de pupilreflex. Optometristen en orthoptisten houden zich dagelijks bezig met pupilreacties, accommodatie en convergentie. Bij mensen is het ondertussen redelijk bekend waar de hersendelen, zenuwen en uitvoerende structuren liggen die bedoelde functies mogelijk maken.
Intro: namen en primaire functies van de 12 hersenzenuwen
- NI nervus olfactoris : de reukzenuw
- NII nervus opticus : de optische zenuw
- NIII nervus oculomotorius : oogbewegingszenuw
- NIV nervus trochlearis : oogbewegingszenuw
- NV nervus trigeminus : drielingzenuw met ieder een iets andere functie
- NVI nervus abducens : zijwaartse oogbewegingszenuw
- NVII nervus facialis : aangezichtszenuw
- NVIII nervus vestibulocochlearis : gehoor- en evenwichtszenuw
- NIX nervus glossopharyngeus : tong-keelzenuw
- NX nervus vagus : pneumogastrische zenuw
- NXI nervus accessorius : bijkomstige, spinale zenuw
- NXII nervus hypoglossus : ondertongzenuw
Anatomie van de hersenen
De origine van de relevante hersenzenuwen ligt in de hersenstam. Het is daarom belangrijk om de anatomische structuren te kunnen herkennen. Er zijn twee hersenhelften, deze worden verbonden door het corpus collosum. Deze bestaat uit commissurale vezels.
Cerebrum
Frontaalkwab, betrokken bij planning, organiseren, geheugen, impulscontrole,
het oplossen van problemen, selectieve aandacht, besluitvorming en het beheersen van
gedrag en emoties. De frontal eye fields zijn hier ook terug te vinden. Aansturing = contralateraal
Parietaalkwab, verwerkt sensorische informatie van verschillende delen van het lichaam. De kwabben
spelen ook een rol bij ruimtelijk denken
Temporaalkwab, betrokken bij geheugen, leren en gehoor. Is een doorgang voor de visuele banen
De occipitaalkwab, is verantwoordelijk voor het verwerken van visuele informatie. De sulcus calcarina
is een groeve waar de primaire visuele schors of gezichtsschors omheen is gevouwen. Zo blijven de
bovenste en onderste gezichtsvelden gesheiden
De hersenstam. Met 1 staat het medulla oblongata aangegeven, met 2 de pons
en met 3 het mesencephalon
Medulla oblongata
De medulla oblongata is het onderste deel van de hersenstam, onmisbaar voor het leven door de regeling van vitale autonome functies zoals de ademhaling, hartslag, bloeddruk en slikken. Het functioneert als een verbinding tussen de hersenen en het ruggenmerg en stuurt reflexen aan, waaronder hoesten, niezen en braken.
Bevat de piramidekruising, waar motorische zenuwbanen oversteken. Hierdoor stuurt de linker hersenhelft de rechterkant van het lichaam aan en vice versa.
De pons
De pons is een belangrijk onderdeel van de hersenstam dat fungeert als een 'brug' en doorgeefstation tussen de grote hersenen, kleine hersenen en het ruggenmerg. Het is verantwoordelijk voor het doorgeven van zintuigelijke en motorische informatie, het coordineren van oogbewegingen, ademhaling, slaap en het regelen van onwillekeurige processen.
Het mesencephalon
Deze structuur speelt een sleutelrol bij het regelen van visuele en auditieve reflexen, oogbewegingen (o.a. pupilreflex), motorische controle en de regulatie van spierspanning. Daarnaast is het betrokken bij bewustzijn en het waak-slaapritme.
Via de colliculi superiores (zicht) en de colliculi inferiores (gehoor) worden snelle reflexen verwerkt.
FLM = fasiculus longitudinalis medialis
De FLM is een cruciale, sterk gemyeliniseerde zenuwbundel in de hersenstam die oogbewegingen coordineert door de kernen van de 3e, 4e en 6e hersenzenuwen met elkaar en het evenwichtsorgaan te verbinden. Het maakt geconjugeerde oogbewegingen, de vestibulo-oculaire reflex en snelle blikwisselingen mogelijk.
De FLM verbindt de nucleus abducens (in de pons) met de nucleus oculomotorius (in het mesencephalon). Dit zorgt ervoor dat bij het naar links kijken de linker oogbol naar buiten draait door de laterale oogspier aan te spannen, en het rechter oog tegelijkertijd naar binnen te draaien door aanspanning van de rectus medialis.
Beschadiging van de FLM leidt tot internucleaire oftalmoplegie.
De oogbewegingsspieren
De oogspieren zitten vast aan de achterkant van de oogkas, vanuit deze plek kunnen zij samentrekken om het oog in de gewilde stand te brengen. Vier van deze spieren vormen achterin de oogkas samen de ring van Zinn. De M. obliquus inferior zit vast aan de bodem van de orbita, en de M. obliquus superior zit vast achter de ring van Zinn.
Een gezonde spier wordt onder normale omstandigheden altijd iets aangespannen. Wanneer de spier met de tegengestelde werking uitvalt zal dit direct een scheelstand van het oog veroorzaken door toedoen van de onbalans.
Verderop in deze samenvatting staan een aantal schema's ter hulp voor het bepalen van de primaire, secundaire en tertriare functies van de spieren. Dit helpt je de juiste spier te identificeren wanneer er sprake is van een afijking in de oogbewegingen.
M. rectus superior
De musculus rectus superior is de bovenste rechte oogspier. Het is een uitwendige spier die primair de oogbol naar boven richt. Dit heet elevatie.
De secundaire functie is addcutie, waarbij het oog iets naar binnen wordt gedraaid. Bij aanspanning is de tertiaire functie intorsie.
De spier wordt aangestuurd door de derde hersenzenuw.
Bij omhoog kijken werkt de rectus superior vaak samen met de musculus obliquus inferior om het oog recht omhoog te bewegen zonder rotatie.
De spier is verbonden met de spier die het bovenooglid optilt, waardoor deze meebeweegt bij het omhoog kijken.
M. rectus medialis
De binnenste rechte oogspier. De primaire functie is het oog naar binnen draaien, richting de neus. Dit heet adductie.
De rectus medialis werkt samen met de rectus lateralis om horizontale oogbewegingen mogelijk te maken.
M. rectus inferior
De musculus rectus inferior is de onderste rechte oogspier. Zijn primaire verantwoordelijkheid is voor het naar beneden kijken (depressie). Daarnaast draagt deze spier bij aan het naar binnen draaien van het oog in secundaire, en iets naar buiten draaien (extorsie) in tertriaire positie.
M. rectus lateralis
Zit aan de buitenkant (temporale zijde) van het oog. Deze spier is verantwoordelijk voor abductie, de beweging die de kijkstand van het oog af beweegt. Deze spier wordt geinnerveerd door de N. abducens.
M. obliquus superior
De bovenste schuine oogspier is een unieke spier die het oog voornamelijk in intorsie draait, helpt bij depressie en bij abductie. De spier wordt aangestuurd via de nervus trochlearis.
M. obliquus inferior
De onderste schuine oogspier is verantwoordelijk voor extorsie, elevatie en abductie. Het is de enige spier die de oogbol kan verheffen wanneer deze naar binnen is gedraaid. De spier wordt aangestuurd door de oculomotorius.
Innervatie van de oogbewegingsspieren
Oculomotorius - N3
De nervus oculomotorius is een cruciale hersenzenuw die verantwoordelijk is voor het grootste deel van de oogbewegingen, het optillen van het bovenste ooglid en het aansturen van de pupilgrootte. Hij ontspringt uit de hersenstam (mesencefalon) en loopt via de oogkas naar de interne en externe oogspieren.
De zenuw heeft zowel somatische als parasympatische functies en innerveert de volgende structuren:
- Vier van de zes extrinsieke oogspieren; m. rectus superior, m. rectus inferior, m. rectus medialis, en de m. obliquus inferior.
- Musculus levator palpebrae superioris
- Musculus sphincter pupillae, verantwoordelijk voor miosis (pupilvernauwing)
- Musculus ciliaris, zorgt voor accommodatie.
Near reflex:
Een gecoordineerd, automatisch proces in de hersenen waarmee de ogen zich aanpassen om een object van dichtbij scherp te kunnen zien. De trias bestaat uit:
- Accommodatie = lensverdikking om dichtbij scherp te stellen
- Convergentie = oogassen aanpassen voor een inwaartse beweging om het beeld op de fovea te houden
- Miosis = de pupillen worden kleiner om de scherptediepte te vergroten
Trochlearis - N4
De 4e hersenzenuw is een motorische zenuw die verantwoordelijk is voor een specifieke oogbeweging. Hij dankt zijn naam aan het latijnse woord voor 'katrol' (trochlea).
De zenuw innerveert slechts één spier: de musculus obliquus superior.
Het is de enige hersenzenuw die aan de achterkant van de hersenstam ontspringt en de zenuwvezels kruisen elkaar, waardoor de rechter zenuw het linkeroog aanstuurt en vice versa.
De primaire functie van de m. obliquus superior is cycloductie; een lichte draaiing van het oog rondom de as (intorsie).
Abducens - N6
De baan van de abducens ontspringt in de hersenstam, in de pons, en verlaat de schedel via de fissura orbitalis superior. De zenuwbaan loopt onder het 'buikje' van de pons door, via de sinus cavernosus naar de m. rectus lateralis toe. Door de lengte van deze zenuw is deze een stuk gevoeliger voor beschadiging en verdrukking.
Parese betekent gedeeltelijke, onvolledige uitval wat voor spierverslapping / onderactie zorgt. Wanneer dit de abducens treft zal het aangedane oog niet meer kunnen abduceren (naar buiten bewegen).
Sinus cavernosus
De sinus cavernosus is cruciaal voor de veneuze afvoer vanuit het oog.
De zenuwbanen van de oogbewegingszenuwen lopen door de sinus cavernosus heen. Bij veneuze problemen of tumoren kunnen de zenuwbanen hier verdrukt worden en problemen met de oogbewegingen veroorzaken.
Reacties
Een reactie posten