Doorgaan naar hoofdcontent

Astigmatisme & zachte contactlenzen

Ongeveer 45% van de mensen wie contactlenzen zouden willen dragen hebben een cilinder van groter dan -0.75D. Om deze groep optimaal zicht te bieden worden torische contactlenzen aangepast. Het is naast de juiste sterkte ook belangrijk dat een torische lens op de juiste asrichting op het oog blijft zitten terwijl deze simultaan voldoende verticale beweging behoudt.

Aantekeningen astigmatisme en vormvast

Overrefractie

Bij het aanmeten van contactlenzen is het belangrijk rekening te houden met de HA waarop de meting heeft plaatsgevonden. Ook de overrefractie gebeurt vaak weer met de foropter of pasbril waar dezelfde regels voor gelden. Bij harde contactlenzen heeft ook de traanlens invloed op de uiteindelijke sterkte en het zicht.

Torisch lens ontwerp

Er bestaan verschillende ontwerpen met andere markeringen op basis van leverancier. 

De hier relevante ontwerpen berusten op het principe van dynamische stabilisatie;
Een ontwerptechniek die ervoor zorgt dat de lens stabiel op het oog blijft zitten en niet tot weinig roteert. De lens is voorzien van stabilisatiezones die door de knipperbeweging van de oogleden de lens automatisch in de juiste positie 'duwen' en daar vasthouden.

Markeringen zitten ongeacht de cilinderas altijd op dezelfde plek. Wanneer deze iets gedraaid zit(ten) noteer je dit in het TABO schema en pas je de cilinder as aan op de lensfitting om de patient alsnog van goed zicht te kunnen voorzien. 



TABO schema

Wordt gebruikt om de asrichting van torische contactlenzen te noteren, waarbij een afwijking van de markering ten opzichte van de verticale positie wordt geregistreerd.



Een ander aanpassings systeem is het LARS systeem. TABO wordt echter vaker toegepast gezien deze methode minder foutgevoelig is.

Aanpassingsregel; een maximale verandering van 20 graden. Anders overstappen op een andere lens. Ook moet de rotatie stabiel zijn.






Stainingsvormen

3&9 o'clock staining

Bij slecht passende contactlenzen die steeds over de horizontale as kantelen. Op te lossen door aanpassing van het lensontwerp. (radius / excentriciteit).

Veelvoorkomende complicatie bij het dragen van harde contactlenzen waarbij droge plekken aan de perifere rand van de cornea ontstaan, ter hoogte van 3 en 9 uur. Kan gepaard gaan met irritatie en pijn.

SICS

Solution induced corneal staining. Een vorm van diffuse staining.

Een voorbijgaande, oppervlakkige beschadiging van het hoornvlies zichtbaar als vlekjes bij een oogtest met fluoresceine. Het onstaat door interactie tussen een zachte contactlens en een lenzenvloeistof of als gevolg van toxiciteit of allergie. Bij kortdurend contact met de vloeistof kan de schade binnen 12 tot 24 uur genezen, bij langer contact kan het enkele dagen duren.

SEAL

Superior Epithelial Arcuate Lesion. Een boogvormige beschadiging van het hoornvliesepitheel aan de bovenzijde van het oog, meestal veroorzaakt door mechanische wrijving van stugge zachte contactlenzen. Het is een zeldzame complicatie die vaak asymptomatisch is maar kan leiden tot een zandkorrelgevoel. De laesie bevindt zich in de bovenste 10- tot 2-uurpositie van het hoornvlies binnen 1 tot 3 mm van de limbus. 


Dimple veiling

Luchtbelletjes onder de lens drukken deukjes in het cornea oppervlak. De randen van deze deukjes kleuren aan met fluoresceine.

Oorzaak: onjuiste passing van een vormstabiele contactlens.

Epithelial wrinkling

Door spanning van een zachte contactlens raakt de cornea geplooid.


Microcysten

Metabolische stress. Reversed illumination bij retro onderzoek.










Reacties

Populaire posts van deze blog

2C casussen

Het onderstaande is een overzicht voor een praktijk uitvoering passende bij eerder gepubliceerde mogelijke diagnosen en daarbij horende klachten. Differentiaal diagnose is uitgebreider voor volledigheid (en extra punten)

Imaging - optometrie 2B

 In blok B van jaar 2 staat het onderwerp ''imaging'' - afbeeldingstechnieken - centraal. Deze technieken zijn van groot belang voor het onderzoeken  van de ooggezondheid. 

DDX amblyopie

 Wanneer een patient een verminderde visus heeft, hetzij uni- of bilateraal, behoort een amblyopie tot de differentiaal diagnosen. Deze diagnose kan niet gesteld worden op basis van de anamnese: pathologie moet uitgesloten worden en een amblyogene factor moet aangetoond worden. Bij het opstellen van een vervolgplan moet de optometrist op de hoogte zijn van het effect van (aanpassingen op) de refractieve correctie op suppressie/dominantie bij strabismus of amblyopie. Deze moeten herkend worden als contra-indicatie bij het overwegen van visuele training, of prisma's bij asthenopie. Ook moet de optometrist passend advies geven, gebaseerd op de theorie, over amblyopie behandeling en over strabismus behandeling.