Doorgaan naar hoofdcontent

Werkcollege 4 contactlenzen aantekeningen

 

LARS

LA = left additief
RS = right subtractief

As bepaling volgens TABO

Binnentorisch = een type lens waarbij de cilindrische correctie aan de achterzijde van de lens is geslepen
Randtorisch = vormvaste lens waarbij de periferie torisch is geslepen, terwijl het centrum enkel sferisch is. Dit ontwerp vermindert de druk op de vlakste meridiaan van het oog
Front torisch = de correctie voor de krommingsafwijking zit aan de voorzijde van de lens geslepen. Vaak bij vormvaste lenzen om het rest-astigmatisme van het oog te corrigeren
Bi-torisch = vormstabiele lens met twee verschillende krommingen aan zowel de voor- als achterzijde, specifiek ontworpen om hoge cilinderafwijkingen te corrigeren. Wordt vaak aangeduid met SPE (spherical power effect) of CE (crossed cilinder) 

Randtorisch bij torische cornea vanaf 1,5-2,00 dpt, refractiecilinder = corneacilinder
Binnentorisch bij -2,50 of hoger, vlakste radius gekijk aan de vlakste cornearadius, steilste radius gelijk aan de steilste cornearadius +0,20 (want staat gelijk tot een cilinder van 1,00 dpt)

Buitentorisch bij sferische oogvorm wanneer er een restcilinder overblijft na aanpassen van de vormstabiele lens

Bi-torische lens bij torische oogvorm, wanneer er een restcilinder overblijft na aanpassen van een binnentorische lens. Bvb Ce-Bitoriscch van Menicon

Toriciteit neemt perifeer toe. Om deze reden kan een kleinere lensdiameter soms een stabiliserende factor bieden gezien er dan minder last is van het progressieve krommingsverschil van de cornea (tussen steilste en vlakste k waarden)

randtorisch voor en nadelen
  • geen geinduceerd astigmatisme (+)
  • Relatief eenvoudig te maken (+)
  • Stabielere passing dan een sferische lens (+)
  • Comfortabeler dan een sferische lens (+)
  • Niet geschikts voor hoger cornea-astigmatisme  (-)
  • Optische zone wordt kleiner, eerder randreflecties (-)
Geinduceerd astigmatisme (bvb bij een binnentorische ctl) door verschil in dikte in de lens en het verschil in brekingsindex tussen de lens en de traanlaag. 
  • Per 0,10 mm radiusverschil in de basiscurveradius van de lens ontstaat een geinduceerd astigmatisme van -0,25 dpt
  • De min-as is dezelfde als de vlakste meridiaan van de cornea
  • Je kunt het inductie-astigmatisme ook exact uitrekenen met de volgende formule:
Waarin r1 de vlakste radius van de lens is en r2 de steilste

As van de geinduceerde cilinder is gelijk aan de vlakste k-waarde

Beperken van geinduceerd astigmatisme:
  • Kiezen van lensmateriaal met een lage brekinsindex, hierdoor wordt de lens echter wel dikker
  • Verlagen van de binnencilinder
  • Keuze van bitorische lens
  • Keuze van bi axiale lenzen
  • Ook contactlenzen die aangepast worden op basis van sagitta en tangent kunnen hier goede diensten bewijzen
Bitorische lens met sferisch effect:
  • Lens met zowel cilinder aan de binnen- als buitenzijde
  • Binnenzijde is om het cornea-astigmatisme te corrigeren
  • Buitenzijde is om het geinduceerde astigmatisme te compenseren
  • Aanpasregel; vlakste radius gelijk aan de vlakste cornearadius, steilste radius gelijk aan de steilste cornearadius +0,20, sterkte gemeten sferische sterkte op h.a. = 0
Bitorische lens met cilindrisch effect:
  • Lens met zowel cilinder aan de binnen- als buitenzijde
  • Binnenzijde is om het cornea-astigmatisme te corrigeren
  • Buitenzijde is om het geinduceerde astigmatisme te compenseren en tevens het restastigmatisme te compenseren
  • De cilinder op de voorzijde corrigeert dus twee soorten astigmatisme

Bi-axiale lenzen: (Eclips, Fe bi-axial)
  • centrale deel van de lens is vrijwel sferisch
  • Hoofddoorsneden hebben verschillende excentriciteit
  • Hierdoor is de periferie torisch
  • Geen geinduceerd astigmatisme
  • Goede centrering is een vereiste

Complicaties

CIE = Corneal infiltrative event

MK, cornea infectie veroorzaakt door micro-organismen zoals te vinden op de huid. Bij late herkenning en behandeling is er kans op blindheid
  • Foreign Body gevoel
  • PIJN
  • Roodheid
  • Tranen
  • Chemosis
  • Ooglidzwelling
  • Purulente afscheiding
  • Visusverlies
Behandeling met breed spectrum antibiotica. MK testen op type micro-organisme. Lenzen+discomfort+infiltraat. Te behandelen als MK totdat je zeker bent dat dit als ddx afgestreept kan worden


Stroma verdunning
  • Ontstaat door het dragen van contactlenzen
  • Geen symptomen
  • 30-50 mu
  • Oorzaak hypoxie of mexhanisch, mogelijk een voorloper van warpage
  • Minder keratocyten in het strome leidend tot verstoring in het metabolisme
  • Langzaam herstel
  • DDX: keratoconus, pellucid marginal degeneration, terrien's marginal degeneration
Stroma oedeem
  • Prevalentie niet lensdragers: 3% corneazwelling gedurende de nacht
  • Herstelt na circa 4 uur
  • Contactlens geinduceerd oedeem: bij 100% van de contactlensdragers
  • Bij siliconen hydrogel ligt dit getal op 3% gedurende de nacht

Stroma oedeem, striae:
  • Als oedeem > 5%
  • Fijne witte streepjes
  • Geen visusklachten
  • Splitsing verticale collageen fibers in posterior stroma
Stroma oedeem, vouwen
  • Zichtbaar in reflex (retro)
  • Vanaf 8% oedeem
  • Geen visisklachten
  • Vervorming endotheel
Strome oedeem, waas
  • Zichtbaar met sclerotic scatter
  • Vanaf 15% oedeem
  • Verder splitsing collageenvezels
  • Verinderde optische werking
  • Vanaf 20% ontstaat visusdaling







Reacties

Populaire posts van deze blog

2C casussen

Het onderstaande is een overzicht voor een praktijk uitvoering passende bij eerder gepubliceerde mogelijke diagnosen en daarbij horende klachten. Differentiaal diagnose is uitgebreider voor volledigheid (en extra punten)

Imaging - optometrie 2B

 In blok B van jaar 2 staat het onderwerp ''imaging'' - afbeeldingstechnieken - centraal. Deze technieken zijn van groot belang voor het onderzoeken  van de ooggezondheid. 

DDX amblyopie

 Wanneer een patient een verminderde visus heeft, hetzij uni- of bilateraal, behoort een amblyopie tot de differentiaal diagnosen. Deze diagnose kan niet gesteld worden op basis van de anamnese: pathologie moet uitgesloten worden en een amblyogene factor moet aangetoond worden. Bij het opstellen van een vervolgplan moet de optometrist op de hoogte zijn van het effect van (aanpassingen op) de refractieve correctie op suppressie/dominantie bij strabismus of amblyopie. Deze moeten herkend worden als contra-indicatie bij het overwegen van visuele training, of prisma's bij asthenopie. Ook moet de optometrist passend advies geven, gebaseerd op de theorie, over amblyopie behandeling en over strabismus behandeling.