Doorgaan naar hoofdcontent

Groeistoornissen

 Lokale groeistoornissen kunnen gecontroleerd en ongecontroleerd zijn. Een gecontroleerde groeistoornis is meestal een reversibele groeistoornis, de ongecontroleerde variant is vrijwel altijd irreversibel. 

Er zijn tumoren die uitzaaiingen geven in het oog en er zijn tumoren die groeien in het oogweefsel zelf (bijvoorbeeld een retinoblastoom). Een andere vorm van de maligne tumor is een basaalcelcarcinoom. Dit is bij mensen met een lichte huidskleur de meest voorkomende kwaadaardige tumor van de huid. Ze komen ook relatief vaak voor op de oogleden.


Efflorescenties

De morfologische veranderingen van de huid.
In primaire vorm is het een direct onderdeel van de huidaandoening. In secundaire vorm wordt het veroorzaakt door complicaties of reacties op andere ingrepen / aandoeningen.
Het systematisch beschrijven van efflorescenties is fundamenteel in het dermatologisch onderzoek omdat het helpt bij diagnostiek. Je kunt gemakkelijk huidlaesies beschrijven met het bekende ABCDE systeem, of door het PROVOKE systeem te hanteren. Deze laatste luidt als volgt;
  • Plaats
  • Rangschikking
  • Omvang
  • Vorm
  • Omtrek
  • Kleur
  • Efflorescentie
Verschillende efflorescenties
  • macula : een vlek. Veranderingen in kleur zonder verhevenheden, onder het huidsnivea
  • papula : kleine solide verhevenheid <1cm, veroorzaakt door cel-, weefsel- of vochttoename
  • plaque : vlakke of licht verheven solide plek
  • nodulus : solide palpabele verhevenheid in of onder de huid
  • vesikel / bulla : blaasjes met helder vocht
  • pustula : holte gevuld met pus, meestal in de epidermis
  • squama : schilfering van de huid
  • crusta : korts, bestaande uit ingedroogd exsudaat, pus & necrotisch materiaal
  • erosie : verlies van alleen de epidermis, zonder diepe schade of bloedingen
  • excoriatie : beschadiging van de huid door krabben
  • fissuur : scheur of kloof in de huid
  • ulcer : zweer, verlies van huid die niet gemakkelijk geneest
  • cicatrix : litteken na herstel
  • papillae : kleine, vingerachtige uitsteeksels of knobbeltjes van weefsel
  • atrofie : verdunning / verlies van volume van huid of weefsel

neurocutaan syndroom : gekenmerkt door 6 of meer cafe au lait maculae

lisch noduli in het oog (kan geen kwaad)


Herpes zoster

Een pijnlijke huiduitslag met blaasjes, veroorzaakt door het varicella-zoster virus dat ook waterpokken veroorzaakt. Het virus kan na een waterpokkeninfectie in het lichaam sluimeren en later reactiveren, vooral bij ouderen of mensen met een zwakke weerstand. Wordt ook wel gordelroos genoemd.

gordelroos met teken van hutchinson : vesicula op de neus
in het gelaat kan herpes zoster behoorlijk veel schade aanrichten

Vesicula

Een blaartje van <1cm. Wanneer deze groeit tot een blaar van >1cm wordt het een bulla genoemd. De vesicula is gevuld met een transparante vloeistof.

Cyste

Een blaas of holte, afgelijnd door epitheel gevuld met vloeistof of semi-vaste stof. In de onderstaande afbeelding is een chalazion afgebeeld; een hard knobbeltje zonder ontstekingsverschijnselen. Zit dieper in de huid dan een pustula.





Pustula

Een holte gevuld met purulente vloeistof, zit in de epidermis. Komt vaak voor bij een klier die verstopt raakt of ontsteekt. Het pus bestaat uit bacterien en dode cellen.


Bekende voorbeelden binnen de optometrie zijn de hordeolum externum (zie bovenstaande afbeelding) en de hordeolum internum waarbij er vaak een pijnlijke, acute, diffuse, rode zwelling ontstaat aan de binnenzijde van het ooglid.

Gecontroleerde groeistoornissen

Hypertrofie

Vergroting van een weefsel doordat bestaande cellen groter worden. Een bekend voorbeeld is spiergroei door krachttraining. De verdikking vindt plaats door verhoogde aanmaak van eiwitten en vochtopname.

Hyperplasie

Vergroting van een weefsel door toename van het aantal cellen. Dit gebeurt simpelweg door celdeling. Een bekend voorbeeld is het groter worden van de baarmoeder tijdens de zwangerschap.

                              


Atrofie

Afname in volume door kleiner worden van de cel en/of afname in het aantal cellen.
Een makkelijk voorbeeld is spierweefsel, die bij gebruik steviger worden door toename in volume en bij minder gebruik (bijvoorbeeld na een bot breuk) sterk in volume afnemen.

Atrofie door afname in het aantal cellen wordt meerendeels veroorzaakt door apoptose. Dit is de tegenhanger van miose. Het is een gecontroleerde manier van celdood die het lichaam toepast op cellen die niet langer nodig zijn, bijvoorbeeld door beschadiging of te hoge kosten aan energie in verhouding tot wat deze cel opbrengt. De cel breekt in kleine stukjes uiteen en wordt netjes opgeruimd door een macrofaag : er vindt geen ontstekingsreactie plaats.

Dit gebeurt onder andere bij een hoge oogdruk die de oogzenuw verdrukt: er kunnen niet meer genoeg stoffen bij de zenuwcellen komen. Er vindt apoptose plaats waardoor delen van het zicht verloren gaan.

Het zusje van apoptose is necrose. Deze manier van cel sterfte is abrupter, aggressiever en kan wel een ontstekingsreactie veroorzaken.

Dysplasie / metaplasie

Metaplasie is de vervanging van een normaal celtype door een ander normaal celtype. Dit gebeurt vaak als een reactie op irritatie van het weefsel, zoals bijvoorbeeld bij roken. Metaplasie is in de meeste gevallen gelukkig omkeerbaar, maar kan overgaan in dysplasie.

Dysplasie is een abnormale, ongeordende groei van cellen. Deze is terug te zien in de grootte, vorm en organisatie. Het is een voorstadium van kanker, waarbij de cellen wel al afwijkend gedrag vertonen maar nog op hun oorspronkelijke plaats blijven zitten. Ook dysplasie is omkeerbaar maar laat mogelijk schade achter. 

voorstadia van kanker

de pap-smear, uitgevonden door de griekse arts Georgios Papanicolaou in 1928


Ongecontroleerde lokale groeistoornissen (neoplasmata)

Tumor

Een plaatselijke woekering van weefsel.
Het voornaamste verschil tussen hypertrofie, zoals we deze bijvoorbeeld bij giant papillary conjunctivitis zien, en tumor-groei is dat je bij GPC verbetering in de symptomen zult merken wanneer de patient stopt met het dragen van de contactlenzen en het ooglid niet langer geirriteert wordt. Het is omkeerbaar en wordt terug in balans gebracht. Bij een tumor zal het weghalen van de prikkel niet helpen, de cellen blijven een vorm van hypertrofie of hyperplasie tonen. 

Benigne neoplasmate

Dit is de goedaardige variant, wat enkel betekent dat het niet uitgezaaid is. Voorbeelden zijn verruca seborroica, hemangiomen en neurofibromatose type 1.

Verruca seborroica zijn ouderdoms wratjes. Ze komen voor op elke leeftijd maar worden veel vaker gezien bij ouderen. Ze liggen bovenop de huid en kunnen geen kwaad. Ze worden enkel verwijderd wanneer het irritatie veroorzaakt of functionaliteit beperkt van bijvoorbeeld de oogleden.



Hemangiomen zijn goedaardige woekeringen van bloedvaten. Het bestaat uit immatuur vaatweefsel. Komt over het algemaeen solitair voor en ontstaat in de regel in de eerste levensweken. Hemangiomen ontstaan meestal kort na de geboorte, de incidentie kan oplopen tot 10% in het 1e levensjaar. Negentig procrent vaan de hemangiomen ontsttat voor de 4e levensweek. Het groeit in de eerste periode behoorlijk maar er zal na een langere tijd volledige regressie plaatsvinden.

Ze zitten een stuk oppervlakkiger dan wanneer we spreken over normaalgroei van de capillairen. Ze kunnen vlak onder de epidermis of iets dieper voorkomen, dit beinvloedt de kleur. Oppervlakkig kleurt het diep rood (ookwel aarbei vlek) , wanneer het iets dieper zit krijgt het een blauwe kleur.

Behandeling: niks doen. Enkel wanneer het functie beperkend is zal er ingegrepen worden met betablockers, corticosteroiden of wordt er operatief ingegrepen.




Neurofibromatose type 1 is een erfelijke genetische aandoening die wordt veroorzaakt door een foutje in het DNA. Dit leidt tot goedaardige tumoren in de zenuwen (neurofibromen), huidafwijkingen zoals cafe-au-lait vlekken en andere problemen in de hersenen, ogen, botten en het hart- en vaatstelsel. De ernst varieert per persoon. Het wordt ook wel de ziekte van Von Recklinghausen genoemd en kan leer- en concentratieproblemen veroorzaken.

In het oog zul je lisch-noduli tegenkomen. Dit zijn onschuldige vlekjes in de iris. Het zal geen problemen veroorzaken qua zien of aansturing.


neurofibromen bij de zenuwen

Wat wel een (binnen de optometrie relevant) risico is is het ontstaan van een glioom van de nervus opticus. De stoornis ten gevolge van zo'n glioom is langzaam progressief waardoor het vaak laat ontdekt wordt. Na aanvankelijke progressie kan de groei spontaan tot stilstand komen. In de meeste gevallen is er geen behandeling nodig. Wanneer dit wel het geval is wordt dit bij voorkeur gedaan in de vorm van chemotherapie.

Harmatomen kunnen ook in de choroidea in het oog ontstaan. Er is geen bewezen verband met een verhoogd risico op retinale melanomen.


Maligne neoplasmata

Beschrijft een kwaadaardig gezwel; de gevormde cellen dringen omliggend weefsel binnen.
Cellen reageren op groeifactor hormonen wanneer de groeireceptor open staat. Het DNA dat de cel helpt met het maken van eiwitten die groei bevorderen heten proto-oncogenen. Deze zijn aanwezig in een normale situatie. Waneer dit deel van het DNA een klap krijgt en beschadigd raakt kan het zo zijn dat er veel te veel groei stimulerende eiwitten worden aangemaakt. De cellen die na deling ontstaan hebben deze fout óok in hun DNA zitten wat het effect steeds versterkt en de weefselgroei sterk bevordert. 

De fout kan ook van een andere plek komen; bijvoorbeeld wanneer er veel te veel groeihormonen worden aangemaakt elders in het lichaam.

Metastasen: kankercellen die los laten en in de bloedbaan of lymfevaten terecht komen. Hierdoor ontstaan uitzaaiingen van primaire kwaadaardige tumoren ergens anders in het lichaam.
Voor metastase zijn twee mutaties nodig; ongecontroleerde deling en loslating tussen de cellen. Dit laatste vindt plaats bij de desmosomen.

Melanoom

De 'op hol geslagen' moedervlekken.
Melanocyten zorgen ervoor dat er pigment wordt aangemaakt in de huid. Gewoonlijk kunnen deze cellen zich niet delen. Na een klap op het DNA van zo'n cel kan het gen voor celdeling aangezet worden en voor grote problemen zorgen.

Voor de herkenning van een melanoom gebruik je de ABCDE regel:
  • Asymmetry
  • Border
  • Color (variations)
  • Diameter (>6mm)
  • Evolution

Basaal cel carcinoom

Deze ontstaat uit de snel delende cellen die de dermis voorzien van vervangende onderdelen. Wanneer je actief bent schaven er dode cellen van het huidoppervlak af, de basaal cellen vullen deze weer aan.
Een basaalcelcarcinoom zaait vrijwel nooit uit. Het is de meest voorkomende vorm van huidkanker (70%). Het is altijd goed te genenzen en er is vrijwel nooit sprake van metastase. Mensen met een lichte huidskleur wie snel verbranden hebben meer kans op het krijgen van deze vorm van kanker.
Het basaalcelcarcinoom is iets lastiger te herkennen, het heeft meestal de vorm van een huidskleurig bultje.




Plaveiselcel carcinoom

Een vorm van huidkanker die de diepte in kan groeien en onderliggend weefsel kan beschadigen. Het heeft een hogere kans op uitzaaiing. Wanneer het niet tijdig wordt verwijderd kan het fataal zijn. In het begin ziet het er uit als een huidkleurig of lichtrood bultje en in een latere fase ziet het er uit als een wondje dat steeds groter wordt. Het ontstaat over het algemeen door zonlicht.


Het ziet er uit als een huidkleurig/rood bultje met een ruw oppervlak







Reacties

Populaire posts van deze blog

2C casussen

Het onderstaande is een overzicht voor een praktijk uitvoering passende bij eerder gepubliceerde mogelijke diagnosen en daarbij horende klachten. Differentiaal diagnose is uitgebreider voor volledigheid (en extra punten)

Imaging - optometrie 2B

 In blok B van jaar 2 staat het onderwerp ''imaging'' - afbeeldingstechnieken - centraal. Deze technieken zijn van groot belang voor het onderzoeken  van de ooggezondheid. 

DDX amblyopie

 Wanneer een patient een verminderde visus heeft, hetzij uni- of bilateraal, behoort een amblyopie tot de differentiaal diagnosen. Deze diagnose kan niet gesteld worden op basis van de anamnese: pathologie moet uitgesloten worden en een amblyogene factor moet aangetoond worden. Bij het opstellen van een vervolgplan moet de optometrist op de hoogte zijn van het effect van (aanpassingen op) de refractieve correctie op suppressie/dominantie bij strabismus of amblyopie. Deze moeten herkend worden als contra-indicatie bij het overwegen van visuele training, of prisma's bij asthenopie. Ook moet de optometrist passend advies geven, gebaseerd op de theorie, over amblyopie behandeling en over strabismus behandeling.