Doorgaan naar hoofdcontent

Beoordeling van contactlenzen

 Een korte weergave van de beoordeling van zachte en vormvaste (harde) contactlenzen ter hulpmiddel voor fitting van nieuwe of bestaande lenzen. (wordt later geupdate voor torische en multifocale lenzen)


Zachte contactlenzen

Centratie

Bekijk met diffuus licht op een vergroting van 10x de gehele cornea en de contactlens. Manipuleer de oogleden niet en laat de patient recht vooruit kijken zonder extra te knipperen. De beoordeling kan alleen plaatsvinden in de rustpositie van de lens.


Beweging

Het is belangrijk bij de beweging dat de contactlens niet over het limbusgebied heen beweegt. De patient moet een paar keer knipperen om de beweging goed te beoordelen:


Om geringe beweging te kunnen waarnemen wordt de lensrand ter hoogte van het onderste ooglid beoordeeld, zowel nasaal als temporaal. Stel de vergroting in op 25x, maak een bolletje van 1mm en zet de bijverlichting aan. Kijk ten opzichte van welke laag de lens beweegt. De lens hoort te bewegen ten opzichte van de conjunctiva en niet ten opzichte van de sclera. Let er daarom goed op of de lens ten opzichte van de conjunctivale vaten beweegt en deze niet laat meebewegen.

Diameter

De diameter wordt beoordeeld bij een open oog, zonder te knipperen. De lensrand van een zachte contactlens hoort omtrend 1 tot 1,5 mm over de limbusrand uit te steken. Gebruik een lage vergroting (6x-10x) en een bolletje van 1mm met diffuse bijverlichting. Zet nasaal het bolletje tussen de limbusrand en de lensrand in. Schat nu hoeveel milimeter dit is en herhaal dit temporaal. Houdt er rekening mee dat de lens tussen het meten van nasaal en temporaal kan verplaatsten door bijvoorbeeld een knipperslag. Meet in dit geval opnieuw. Je kunt door ooglidmanipulatie de lens gecentreerd houden.


2+ problematiek: structuren op de conjunctiva worden geraakt en er ontstaat irritatie. Het kan ook zo zijn dat de conjunctiva losser ligt wat de beweging van de lens beperkt.
2- problematiek: de lensrand valt binnen de limbus en de optische zone is te klein i.v.t. de pupildiameter.

Push-up test

Door middel van ooglidmanipulatie duw je de contactlens iets naar boven toe. Er wordt nu beoordeeld hoe snel de contactlens weer terugdrijft naar de rustpositie door middel van zwaartekracht. Een contactlens moet eenvoudig naar boven te decentreren zijn en daarna soepel weer terug te glijden naar de rustpositie. Anders wordt de traanuitwisseling verhindert.

Laat de patient recht vooruit kijken en duw het onderste ooglid met de wijsvinger of duim naar boven, tegen de onderrand van de lens. Beoordeel hoe makkelijk of moeilijk te lens omhoog beweegt en hoe vlot deze weer terug beweegt.



Vormvaste lenzen

Centratie

Om de centratie te beoordelen wordt diffuus licht of een bolletje van 1mm met bijverlichting gebruikt. Je kijkt met een vergroting van 10x. De oogleden mogen niet gemanipuleerd worden en de patient kijkt zonder vaker dan nodig te knipperen recht vooruit.
Laat 1 keer knipperen en beoordeel de centratie zodra de lens tot stilstand is gekomen. Ga ervan uit dat de lens niet over de limbus mag komen en geef naast de gradatie ook de richting van decentratie aan.

Beweging

Wanneer de patient knippert, moet de lens enigzins maar niet te veel bewegen. Bij een optimale passing kan de lens ongeveer 1m naar boven en beneden bewegen. Er is dan nooit last van de rand van de optische zone. Hoe dan ook mag de lens nooit over de limbus heen bewegen. 
Beoordeel niet de snelheid, maar de hoeveelheid aan beweging.

Je meet met een bolletje van 1mm met bijverlichting, op een vergroting van 10x. De patient knippert 1 keer, waarna je het bolletje aan de onderkant van de lens plaatst. Laat de patient nogmaals knipperen en kijk hoever de lensrand ten opzichte van het bolletje beweegt.


Zo exact als het in de bovenstaande tabel staat wordt er in de praktijk niet gewerkt. Het is wel een handige tool in het begin om een schatting te maken van te veel of te weinig beweging.

Diameter

Omdat de diameter van de vormstabiele lens veel kleiner is dan van een zachte lens is het ook van belang om de diameter van het optische gebied in aanmerking te nemen.
Er kan van worden uitgegaan dat er steeds een even groot verschil zit tussen de verschillende diameters. Stel de cornea is 11.5 mm in diameter, dan is de lens twee milimeter kleiner en de optische zone weer twee milimeter kleiner. De gemiddelde pupil is ongeveer 5 milimeter in diameter, wat in veel gevallen weer twee milimeter kleiner is dan de optische zone.

Graderen van de diameter gebeurt op een vergroting van 10x met een bolletje van 1mm als verlichting. Waar mogelijk kan een extra lampje worden gebruikt op de spleetlamp voor diffuse bijverlichting. Beoordeel hoe vaak het bolletje nasaal en temporaal tussen de lens en het limbusgebied past. Wanneer de lens gedecentreerd is kun je de lens door middel van ooglidmanipulatie naar het midden toe bewegen.


Fluorbeeld

Door fluoresceine toe te voegen en een kobaltblauw filter in de spleetlamp te gebruiken is het mogelijk om de passing van een vormvaste contactlens verder te beoordelen. Dit wordt zowel vertikaal als horizontaal uitgevoerd. Stel de spleetlamp in op een vergroting van 10x en zorg ervoor dat de lens centraal zit. Waar nodig mag er ooglidmanipulatie verricht worden. Idealiter is het met modernere spleetlampen mogelijk om een foto te maken en de lens op basis van de foto te beoordelen zodat de patient niet gedwongen is het oog langer open te houden.

Kijk zowel naar de periferie van de contactlens als het centrum. In totaal verricht je zo per lens 4 beoordelingen. Centrum vertikaal, Centrum horizontaal, Periferie vertikaal en Periferie horizontaal.



Bij een centrale pluspassing zit het fluor geconcentreerder in het midden, waar een gb passing geen kleurverloop toont. Bij een minpassing zit het fluor juist met name in de periferie.
Wanneer je het centrum een plus beoordeling geeft zal de bijhorende periferie bijna altijd een min beoordeling krijgen, zeker bij sferische contatclenzen.

Asferische contactlenzen

In contrast tot de cirkel-gebaseerde vorm van de sferische contactlens is de asferische variant gebaseerd op een ellips. Dit houdt in dat de lens niet mooi rond loopt maar juist mooi aansluit op de vorm van de cornea, welke zelf ook niet cirkelvormig is. De kromming van de lens vlakt iets af richting de periferie wat voor een mooiere en vaak comfortabelere passing zorgt.

Het principe wordt hier geillusteerd met dunne lenzen (brillenglas) maar qua vorm van het
eerste grensvlak komt dit overeen met het ontwerp van de contactlens

Waar je voor de sferische lens de gemiddelde K waarde neemt en hier 0.1 bij optelt tijdens de fitting, heeft de asferische lens niet zo veel extra ruimte nodig dankzij de afvlakking in de periferie. Neem hier de gemiddelde K waarde en tel er 0.05 bij op.

Hoewel deze bij leveranciers verschilt gaan we er van uit dat het centrum bij een vormstabiele asferische lens 4mm breed is. De periferie is 2,5mm aan beide kanten. Deze maten horen bij een contactlens met een diameter van 9,6mm

'E' waarde

''Een 'e' waarde geeft de mate van afvlakking van een kromme weer.'' 
Bij een e waarde van 0 -> er is geen sprake van afvlakking, we kijken naar een cirkel.
Bij een e waarde tussen de 0 en 1 spreken we over een ellips. Al deze waarden kunnen voor een asferisch lens ontwerp worden gebruikt. Echter zijn deze bij de meeste leveranciers maar in een aantal varianten te bestellen, veelal in stapjes van 0.2.

Onthoud: Een hogere e waarde betekent hogere afvlakking. Om de fitting van de bestelde lens en de bijhorende e waarde te controleren wordt er naar het fluorbeeld gekeken, specifiek naar de periferie.

Fluorbeeld

De lens wordt eerst centraal en daarna pas perifeer beoordeeld. Dit doe je weer horizontaal én vertikaal. Wanneer het fluorbeeld in het centrum afwijkt kun je dit oplossen door de radius korter of langer te maken. 

Wanneer het centrale deel geen bijzonderheden of hooguit een kleine plus of min passing toont ga je vervolgens de periferie beoordelen. Kijk hier goed naar het verloop van de fluoresceine vanaf het centrum naar de uiterste rand. Hieronder staan er op het horizontale vlak vier voorbeelden weergegeven.

het centrum is hier ter verduidelijking leeg gelaten

Bij een suboptimale verdeling van fluoresceine in het perifere deel van de lens kan de 'e' waarde van de lens worden aangepast om deze meer af te vlakken of juist krommer te laten lopen.

Aanpasvoorbeeld

De beoordeelde passing toont het volgende:

 

H 

V 

C 

2+ 

gb 

P 

2- 

1- 

Gegeven: radius = 7.80 , e-waarde = 0.4

De centrum beoordeeling toont een plus passing. Gezien deze afwijking eerst aangepakt moet worden hoef je hier nog niet naar de periferie te kijken. Een aanpassing van de kromming (radius) kan ook de perifere beoordeling doen veranderen. De nieuwe radius zal een waarde krijgen van 7.90.

 

H 

V 

C 

gb 

gb 

P 

2+ 

2+ 

Gegeven: radius = 7.80 , e-waarde = 0.6

De beoordeling van het centrum is in orde. Nu kijken we wel naar de periferie. De plus passing stelt dat er aan de rand meer fluor zit dan richting het centrum en dat de lens dus te vlak afloopt. Door de 'e' waarde aan te passen kunnen we de periferie beinvloedden. De radius blijft hetzelfde en de nieuwe 'e' waarde wordt 0.4. 

Twee belangrijke regels:
  • Bij een asferische contactlens heeft een verandering van de diameter geen invloed op de passing van de lens.
  • De diameter heeft wel invloed op het gedrag van de lens op het oog. Zo kan er bijvoorbeeld interactie plaatsvinden met de oogleden, of kan er een toename in gewicht zijn die de lens inferior doet decentreren.




















Reacties

Populaire posts van deze blog

2C casussen

Het onderstaande is een overzicht voor een praktijk uitvoering passende bij eerder gepubliceerde mogelijke diagnosen en daarbij horende klachten. Differentiaal diagnose is uitgebreider voor volledigheid (en extra punten)

Imaging - optometrie 2B

 In blok B van jaar 2 staat het onderwerp ''imaging'' - afbeeldingstechnieken - centraal. Deze technieken zijn van groot belang voor het onderzoeken  van de ooggezondheid. 

DDX amblyopie

 Wanneer een patient een verminderde visus heeft, hetzij uni- of bilateraal, behoort een amblyopie tot de differentiaal diagnosen. Deze diagnose kan niet gesteld worden op basis van de anamnese: pathologie moet uitgesloten worden en een amblyogene factor moet aangetoond worden. Bij het opstellen van een vervolgplan moet de optometrist op de hoogte zijn van het effect van (aanpassingen op) de refractieve correctie op suppressie/dominantie bij strabismus of amblyopie. Deze moeten herkend worden als contra-indicatie bij het overwegen van visuele training, of prisma's bij asthenopie. Ook moet de optometrist passend advies geven, gebaseerd op de theorie, over amblyopie behandeling en over strabismus behandeling.